Public Art. Amsterdam

BOLD TOREN BOUWMATERIALEN

Live tour Schrijvers en de Stad: Rashid Novaire

>> Speciale editie<< Live tour Schrijvers en de Stad: Fiep van Bodegom

Live tour met Schrijvers en de Stad: Alma Mathijsen

Schrijvers en de Stad: Chris Keulemans en Massih Hutak

Schip van Slebos

How to Kill a Tree, Edward Clydesdale Thomson

Walid Siti – Framer Framed

Sunday Seminar Pay Attention Please! curating the city

Officiële opening Pay Attention Please!

Fietstunnel station Amsterdam CS

IJ-boulevard

Spanje Monument 

Twee Beelden

De 7 poorten

De Muur

ADM monument

Noordbeeld

Ontmoetingsplaats

Observatorium

De Ceuvel

Gedenkteken Atatürk

NDSM-Werf

Ferrotopia – Stichting NDSM-werf

The First Turk Immigrant or The Nameless Heroes of The Revolution – Framer Framed

Johann Arens – Findings on Palpation (Extended Matter IV) – P/////AKT

Amsterdam Magisch Centrum Kunst en tegencultuur 1967-1970 – Stedelijk Museum Amsterdam

Strike A Pose – Framer Framed

Monument for the White Cube

Monuments to the Unsung – Framer Framed

GET LOST – art route, diverse kunstenaars

Silent Scream – Framer Framed

Ode aan de Bijlmer – CBK Zuidoost

De Appel

Untitled (You Don’t Have To Be Here) 

Brace for Impact, Node #6

Sami

Wegwerphuisje

Groot Landschap

Klimmuur

De Poort van Constant

Tuinen van West

Animaris Rhinoseros Transport

Stapeling omlaag

Tectona Grandis

De Kost en de Baat

Black Waves

De Kies

Staalmanplein

Mijn Kunst 2018 – CBK Zuidoost

Anastasis / ἀνάστασις – Oude Kerk

DOE IETS

Monument tegen Apartheid en Racisme

Nelson Mandela

Nationaal Monument Slavernijverleden

Portret van Jan Pieterszoon Coen, J.L. Vreugde

Hortus Botanicus

Monument for Martin Luther King

Gloei!

Voor de Bijen

Tussentijd

The Black Archives

Industrieel Monument

Corned Beef

Zonder titel, Man en Schaap

City Cells

Het Zandkasteel en de Amsterdamse Poort

Dolle Mina

Anton de Kom

Yellow Wings

De Lange Glijbaan

Zonder titel (Twee Schuine Naalden)

Mama Aisa

Sequin Monument

Monument Bijlmerramp

Tayouken Piss

Now, Speak!

Ruimtestructuur

Gedenkteken Steven van Dorpel

Graffiti Art in Heesterveld

Untitled (You Don’t Have To Be Here) – De Appel

De Waag

Licht

De Oude Kerk

Het Raam

Het Bankje

De Straatstenen

Het Stoepje

De Toeristengroep

Het Reclamebord

De Brug

Geluid

Lucht

De Oude Kerk

Waag Society

We Should Have a Conversation (2018) – De Appel

Zonder titel (Hildo)

Ode to Mingus; Spire; Menhir Tower

Opgelichte stoeptegels

Lady Solid

11 Rue Simon Crubellier

Primum movens ultimum moriens

Zonder titel

Your life is calling

Feestelijke beelden

De Wachter

White Noise

Brettensuite

Het Wiel

Betonreliëf

Under Heaven 02

WOW Amsterdam

Cascoland

Opstandingskerk

2 U’s naar buiten / 2 U’s naar binnen

Horse Chestnut

Zonder titel

Rembo

Mirage

Constructie met I-balken

Constellatie van klimtorens

wild care, tame neglect – Frankendael Foundation

Fiep van Bodegom

Roos van Rijswijk

Alma Mathijsen

Massih Hutak

Chris Keulemans

Rashid Novaire

FacebookTwitter
  • Cruquiusweg 101
  • Luisteren (31,7 MB)

 

 

Steen

 

Elke ochtend steek ik een lepel in een zak kalkpoeder. Twee opgehoopte eetlepels roer ik door een glas water. Het wit kolkt en draait en vermengt zich. Een seconde hou ik het glas aan mijn lippen, sluit mijn ogen en probeer niet te ruiken. Het smaakt niet goed. Korrels kleven aan mijn gehemelte, zoveel mogelijk in een keer doorslikken, smakkend probeer ik de resten tussen mijn tanden uit te zuigen. Mijn mond voelt droog, mijn tong elke dag iets dikker.

Bij de bouwmarkt vroegen ze wat voor kalk ik nodig had. Het duurde te lang voordat ik antwoord gaf, dus vroeg de medewerker waarvoor ik het wilde gebruiken.

‘Voor een geraamte,’ zei ik.

De medewerker bleef me op dezelfde wijze aankijken, zijn ogen strak op mij, vooringenomen over onkunde.

‘Om te metselen?’

‘Ja.’

‘Of om te bemesten?’

Misschien had de medewerker gelijk. Ik wist nog maar weinig over kalk, alleen dat kalksteen altijd vochtig voelt en niet voor eeuwig is. Dat trok me. Met een zak van 25 kilo metselmortel met kalk op mijn rug verliet ik de bouwmarkt. De volgende dag zou ik de tweede zak halen. Een kilo meer dan dat ik nodig zou hebben.

De eerste zak is half leeg. Mijn stappen worden zwaarder, dat betekent dat het werkt. Vandaag zal ik net zoals iedere dag van de Zeeburgerkade naar de uiterste punt van Cruquiuseiland lopen. Niemand noemt het zo. Alleen de nieuwe mensen. De mensen die hier nooit eerder zijn geweest. De mensen met een koopcontract en een sleuteloverdracht. Mensen die hun honden borstelen met een kam. Ik leef hier al meer dan twintig jaar. Dit schiereiland dat uit het moeras is gerezen. De modder en de blubber. Het drassige land onder elke steen die ik los wiggel. Heel vroeg in de ochtend kan ik het ruiken, het moeras en de beesten die hier ooit leefden.

Het is vijf over half zes in de ochtend. Ik word altijd uit mezelf wakker. Misschien omdat de boot harder schommelt, zodra de zon opkomt gedraagt het water zich anders. Het oppervlakte breekt, kleine rimpels duwen zachtjes tegen de zijkant van de steiger. Dan rol ik tegen het natte hout met mijn blote billen. Het blijft altijd koel in de hut, de wind blaast door de kieren van de constructie. Ik leef nu al vier jaar op de piepschuimen droom van Robert Jasper Grootveld, de antirookmagiër uit de jaren zestig. Het is mijn vierde plek op Cruquiuseiland. De eilanden die hij in de jaren negentig maakte liggen in het midden van de haven. Alleen bereikbaar via roeibootjes en een waterfiets die langs de kade liggen. De wortels van de struiken en bomen reiken ver voorbij het piepschuim, vinden geen vaste grond, slechts het water. Meneer Grootveld heeft ze zelf van het Entrepotdok hierheen versleept, omdat het oosten groen miste. Water is er genoeg, maar groen, daar ontbreekt het aan. Vier eilanden langs de oever, allen een totaal ander uiterlijk. Een van de eilanden wordt keurig onderhouden, een ander is beroofd van zijn bomen na de laatste storm en heeft zijn wilde uiterlijk verloren, mijne is en blijft het ruigste. Aan het einde van de kade ligt het babyeiland, zo klein dat ik het vaak vergeet. Toch komen daar de meeste hommels en bijen op af.

Ik laat mezelf in het water kukelen. Bubbels zuurstof schieten omhoog door het troebele water, ik kijk er altijd naar. Boven water schud ik mijn haar zo droog mogelijk. Dit is een ochtendritueel dat ik binnenkort moet laten, dan wordt het te zwaar. Het is niet de bedoeling dat ik naar de bodem zink. Eten hoeft niet meer. Vijf keer per dag draai ik kalk door een glas water. Ook nu neem ik een voorraad mee. Even opdrogen in de zon, kleren die klef aanvoelen aantrekken en dan op de waterfiets naar de kade om te lopen. Het gaat elke dag iets langzamer. En dat is hoe het hoort te gaan. De eerste ronde breekt aan, zo noem ik het sinds ik op de piepschuimen droom leef. De watermensen worden wakker, hun boten schommelen net als de mijne. De man met het prachtige lichaam duikt van zijn sloep in het water, poetst zijn tanden terwijl hij watertrappelt en spoelt met het water om zich heen. Zijn vriendin kruipt uit de kajuit, rekt zich uit op het dek en springt er ook in. Inmiddels ben ik op de kade. Ooit lagen hier driemasters vol met kokosolie, koffie en andere waar uit verre oorden. Ik zie de loopjongens voor me zeulen met tonnen. Het water is hier zo diep, zestien meter, zodat zeewaardige schepen hier konden aanmeren. In de pakhuizen werd alles opgeslagen. Soms vraag ik me af of het daar vanbinnen nog steeds naar kokos ruikt. Het zal wel niet. De pakhuisgebouwen zijn volledig gestript, alleen de buitenste muren stonden nog overeind. Bijna hadden ze er niet meer gestaan. Mensen zoals ik hebben zich verzet. De wilden, die nog begrijpen dat een landschap niet zomaar mag worden weggevaagd. Elk stuk land heeft een geschiedenis en als die niet meer zichtbaar is verliest een plek zijn ziel.

Hier aan de rafelranden van de stad is de verandering het beste te zien. Net voorbij de Harbour Club, de zwarte doos waar friet vijf euro kost, is een van de laatste vrijplaatsen gesneuveld. Er werd groente verbouwd. Mijn lievelingsplek lag naast de zwarte doos. Albeton, een fabriek waar metselmortel werd gemaakt. Vrachtwagens raasden slinks over de wegen, voor voetgangers geen ruimte, maar toch liep ik er ook toen elke dag. Nu is het opgegaan in de lucht. Een kaal veld waar Cruquius 1.3 moet komen. Appartementen. Ik heb niets tegen wonen. Ik moet zelf ook wonen. Ik geloof niet eens dat ik iets tegen de gebouwen heb. Met hun uitstraling en groene dakterrassen. Alleen: waarom zo rigoureus?

Waarom blijft er zo weinig over van wat dit schiereiland ooit was? Waar is het moeras? Waar zijn de wormen? Waar is de drek? Waar zijn de schepen? Waar zijn al die miljoenen kratten die hier zijn afgeleverd? Wat is er gebeurd met de loopjongens? Wie vertelt me hoe verkeerd het is wat hier gebeurde? Hoe verkeerd waren de naweeën van onze koloniale periode? Hoe was al dat waar verkregen? En daarna? Toen het gebied na de Tweede Wereldoorlog in het slop raakte, en elke rederij zich gewonnen gaf en verdween. Waar zijn de pioniers die zich hier durfden te vestigen in de jaren tachtig? De echte wildelingen, mijn voorouders, die hielden van breuklijnen en blubber? Wat is er met hen gebeurd, waarom kan ik ze niet meer ruiken als ik langs de rotonde loop? Ze vreesden niet, zoals de andere Amsterdammers, die dit gebied zolang hadden gemeden.

Dat is niet meer Amsterdam, daar kan je beter niet heen, zelfs niet overdag, te gevaarlijk, te smerig, te gebroken.

Het zijn die Amsterdammers die ik nu hier zie fietsen, turend naar een rustige plek, zo zeldzaam tegenwoordig, weg van het centrum waar de schreeuw van de toeristen altijd klinkt. Stiekem tijdens de lunchpauze even koekeloeren of het misschien nu wel iets voor hen is.

Komt daar niet een nieuw restaurant? Inderdaad, waarom hebben de drie wijzen uit het oosten hier niet alles opgekocht? Ach dat komt nog wel. Gelukkig komt er al een lokale brouwerij met speciale biertjes.

Of moet je speciaal bier zeggen? Ik weet het niet. In de verte klinkt de hoorn van een aanmerend schip. Misschien een cruiseschip op weg naar het muziekgebouw. Ook die zullen ooit verdwijnen.

Ik frommel het zakje kalk uit mijn broekzak en giet het leeg in mijn beker. Elke dag wordt lopen zwaarder, ik weet waar ik uiteindelijk tot stilstand wil komen. Precies in het midden, naast het Insulindehuisje. Een van de drie gebouwen die in zijn oorspronkelijke staat blijven. Of eigenlijk worden opgeknapt. Want alles is hier vervallen, de gemeente keek decennia niet om naar dit stuk. En juist dat maakte het hier zo bijzonder. Er gebeuren wonderlijke dingen zonder bestemmingsplannen. De allerbeste feesten van de hele stad waren hier. In de Krux. Waar niemand klaagde, waar geen omwonenden waren, geen rookruimtes, of bouncers, slechts muziek en licht. Om vijf uur als alle clubs sloten fietsten de slapelozen binnen. Hier kon alles. Ik probeer te luisteren of ik nog iets van de beats kan horen, misschien is niet alles vervlogen. Tevergeefs. Hier is de plek waar ik me het meest vrij heb gevoeld. Wanneer de beat door mijn botten dreunde, de laserstralen me verblindden en het zweet over mijn rug rolde. Los van de wereld op een klein stukje vergeten land in Oost.

Ik denk niet dat de nieuwe bewoners weten van de feesten. Ik denk niet dat ze weten over de tochten die de schepen hadden afgelegd. Ik denk niet dat ze weten wie Nicolaus Cruquius is. Een uomo universalis zo perfectionistisch dat hij zelfs zijn eigen begrafenis tot in detail orkestreerde. Misschien doet het er ook allemaal niet toe. Dit land is in een paar jaar getransformeerd. Nu rijzen twee gloednieuwe gebouwen tussen de bouwmaterialen en het zand omhoog. Baby’s huilen, honden blaffen, zand waait tussen de gebouwen door. Geen bakker, geen supermarkt, alleen vuilcontainers bewijzen dat de tijd hier niet stil staat. De nieuwe bewoners leven in een belofte. Amsterdam City Habour. Cruquius in chique belettering. Nu is het oude nog overal tastbaar. De graffiti zit nog op de muren van gebouwen die zullen worden afgebroken, de brandnetels en bramenstruiken groeien om de oude wijnsilo’s. Nu leeft het nog. Nog een paar stappen dan is het zover. Dan geef ik me over aan het land. Dan ben ik een herinnering van steen. Dan ben ik een monument dat een moeder aan haar kind zal uitleggen. Ik neem een laatste slok van mijn mengsel en dan is het gedaan.

Ooit leefde hier een vrouw, lang voordat wij hier kwamen wonen, toen durfde niemand uit de stad hier te komen. Zij wel, elke dag liep ze van het uiterste puntje van het eiland tot hier. Ze bevruchtte de aarde, zorgde ervoor dat de planten die hier ooit groeiden weer terugkeerden. Ze kende dit gebied als geen ander. Toen de veranderingen zich snel opeen stapelden wilde zij een blijvend monument bouwen, dat ons altijd zou herinneren aan het wilde karakter van het eiland. Iedere dag slikte ze kalksteen en uiteindelijk veranderde ze zelf in een monument. Wees voorzichtig met haar.Zij is het wilde hart van steen dat Cruquiseiland nodig heeft.

Alma Mathijsen

Over Alma Mathijsen

Alma Mathijsen schrijft. In New York studeerde ze een half jaar Creative Writing aan het Pratt Institute. In 2011 studeerde ze af aan de Gerrit Rietveld Academie, afdeling Beeld & Taal. Haar eerste roman, Alles is Carmen, verscheen in september 2011 bij De Bezige Bij. Haar tweede roman, De Grote Goede Dingen, verscheen in 2014. Vergeet De Meisjes verscheen in 2017. In 2015 kwam de film Ja, ik wil uit waaraan Alma een bijdrage aan het scenario heeft geleverd. Ze trad op bij o.a. Crossing Border, Oerol, DWDD, Manuscripta en Lowlands. Ze publiceerde in NRC Handelsblad, nrc.next, Het Parool, DAS MAGAZIN, Vrij Nederland e.a.

Agenda

october